schoen
Wat is de betekenis van schoen?
schoen betekent: (schoeisel) bekleedsel om de voet warm te houden en te beschermen
Betekenis
- (schoeisel) bekleedsel om de voet warm te houden en te beschermen
- iets dat min of meer op een schoen lijkt bijv. een remschoen
Voorbeelden van "schoen" in een zin
- met sinterklaas mogen de kinderen in het weekend hun schoen bij de schoorsteen zetten
- Slechts vier mensen, waaronder ik, hadden microspikes voor onder hun schoenen.
Betekenis en uitleg van schoen
Een schoen is een type schoeisel dat je voeten beschermt en comfortabel houdt. Het is een essentieel onderdeel van je outfit en kan variëren van casual tot formeel, afhankelijk van de gelegenheid.
Het woord 'schoen' wordt vaak gebruikt in de context van mode en functionaliteit, zoals bij het kiezen van de juiste schoenen voor een speciale gelegenheid of activiteit. Denk aan sportschoenen voor het sporten of elegante schoenen voor een bruiloft. Daarnaast zijn er ook culturele aspecten aan verbonden, waarbij bepaalde stijlen en ontwerpen in verschillende gemeenschappen populair zijn.
Voorbeelden
- Na een lange dag op het werk trok ze haar comfortabele sneakers aan om naar huis te lopen.
- Voor het feest had hij nieuwe leren schoenen gekocht die perfect bij zijn pak pasten.
- De kinderen speelden buiten in hun oude, versleten schoenen, maar dat weerhield hen er niet van om plezier te hebben.
Woordoorsprong
Het woord 'schoen' komt van het Oudnederlands 'scōna', wat verwijst naar schoeisel. Dit woord heeft verwante termen in andere Germaanse talen.
Veelgestelde vragen over schoen
Wat is de betekenis van schoen?
schoen betekent: (schoeisel) bekleedsel om de voet warm te houden en te beschermen
Hoeveel betekenissen heeft schoen?
schoen heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Welk woordgeslacht heeft schoen?
schoen is een mannelijk (de).
Hoe gebruik je schoen in een zin?
Voorbeeld: “met sinterklaas mogen de kinderen in het weekend hun schoen bij de schoorsteen zetten”
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands scoen. Eigenlijk de meervoudsvorm van de oorspronkelijke vormen scoe / schoe (nominatief scoech) die gaandeweg werd geherinterpreteerd als een enkelvoud. Ontwikkeld uit Oergermaans *skōha-. Misschien een afleiding met ablaut van het sterke ww. *skehan- ‘zich snel bewegen’, waarvoor zie schielijk en geschieden. Evenals Nederduits Schoh, Duits Schuh en Fries skoech.
Uitdrukkingen
- De moed (ook: Het hart) zinkt in de schoenen — Gezegd over iets dat wanhopig maakt en waardoor men de moed verliest
- De stoute schoenen aantrekken — Iets gewaagds of iets waar tegenop wordt gezien toch doen
- Ergens met lood in de schoenen naar toe gaan — Ergens verschrikkelijk tegen opzien
- Iets in andermans schoenen schuiven — De schuld aan een ander (laten) geven
- Men moet geen oude schoenen wegwerpen voordat men nieuwe heeft — Je moet niet iets afdanken zonder dat er een alternatief voor is
- Naast je schoenen lopen — Overdreven trots zijn op iets
- Niet erg vast in de schoenen staan — Zich gemakkelijk laten ompraten
- Niet graag in iemands schoenen staan — Gezegd over iemand anders die zich in een moeilijke of onprettige situatie bevindt