schoen

mannelijk (de)/sxun/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. schoeisel (schoeisel) bekleedsel om de voet warm te houden en te beschermen
    met sinterklaas mogen de kinderen in het weekend hun schoen bij de schoorsteen zetten
    Slechts vier mensen, waaronder ik, hadden microspikes voor onder hun schoenen.
  2. iets dat min of meer op een schoen lijkt bijv. een remschoen

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands scoen. Eigenlijk de meervoudsvorm van de oorspronkelijke vormen scoe / schoe (nominatief scoech) die gaandeweg werd geherinterpreteerd als een enkelvoud. Ontwikkeld uit Oergermaans *skōha-. Misschien een afleiding met ablaut van het sterke ww. *skehan- ‘zich snel bewegen’, waarvoor zie schielijk en geschieden. Evenals Nederduits Schoh, Duits Schuh en Fries skoech.

Uitdrukkingen

  • De moed (ook: Het hart) zinkt in de schoenenGezegd over iets dat wanhopig maakt en waardoor men de moed verliest
  • De stoute schoenen aantrekkenIets gewaagds of iets waar tegenop wordt gezien toch doen
  • Ergens met lood in de schoenen naar toe gaanErgens verschrikkelijk tegen opzien
  • Iets in andermans schoenen schuivenDe schuld aan een ander (laten) geven
  • Men moet geen oude schoenen wegwerpen voordat men nieuwe heeftJe moet niet iets afdanken zonder dat er een alternatief voor is
  • Naast je schoenen lopenOverdreven trots zijn op iets
  • Niet erg vast in de schoenen staanZich gemakkelijk laten ompraten
  • Niet graag in iemands schoenen staanGezegd over iemand anders die zich in een moeilijke of onprettige situatie bevindt

Vertalingen

Engelsshoe
Franschaussure, soulier
DuitsSchuh
Spaanszapato, calzado
Italiaansscarpa, calzatura
Portugeescalçado, sapato
Russischтуфля, полуботинок, башмак
Chinees鞋子, 鞋
Japans靴, シューズ
Arabischحذاء
Turkskundura, ayakkabı
Poolsbut
Zweedssko
Deenssko