schoen
mannelijk (de)/sxun/
Wat is de betekenis van schoen?
schoen betekent: (schoeisel) bekleedsel om de voet warm te houden en te beschermen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (schoeisel) bekleedsel om de voet warm te houden en te beschermen
- iets dat min of meer op een schoen lijkt bijv. een remschoen
Voorbeelden van "schoen" in een zin
- met sinterklaas mogen de kinderen in het weekend hun schoen bij de schoorsteen zetten
- Slechts vier mensen, waaronder ik, hadden microspikes voor onder hun schoenen.
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands scoen. Eigenlijk de meervoudsvorm van de oorspronkelijke vormen scoe / schoe (nominatief scoech) die gaandeweg werd geherinterpreteerd als een enkelvoud. Ontwikkeld uit Oergermaans *skōha-. Misschien een afleiding met ablaut van het sterke ww. *skehan- ‘zich snel bewegen’, waarvoor zie schielijk en geschieden. Evenals Nederduits Schoh, Duits Schuh en Fries skoech.
Uitdrukkingen
- De moed (ook: Het hart) zinkt in de schoenen — Gezegd over iets dat wanhopig maakt en waardoor men de moed verliest
- De stoute schoenen aantrekken — Iets gewaagds of iets waar tegenop wordt gezien toch doen
- Ergens met lood in de schoenen naar toe gaan — Ergens verschrikkelijk tegen opzien
- Iets in andermans schoenen schuiven — De schuld aan een ander (laten) geven
- Men moet geen oude schoenen wegwerpen voordat men nieuwe heeft — Je moet niet iets afdanken zonder dat er een alternatief voor is
- Naast je schoenen lopen — Overdreven trots zijn op iets
- Niet erg vast in de schoenen staan — Zich gemakkelijk laten ompraten
- Niet graag in iemands schoenen staan — Gezegd over iemand anders die zich in een moeilijke of onprettige situatie bevindt
Vertalingen
Engelsshoe
Franschaussure, soulier
DuitsSchuh
Spaanszapato, calzado
Italiaansscarpa, calzatura
Portugeescalçado, sapato
Russischтуфля, полуботинок, башмак
Chinees鞋子, 鞋
Japans靴, シューズ
Arabischحذاء
Turkskundura, ayakkabı
Poolsbut
Zweedssko
Deenssko
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek