schoenfabriek
vrouwelijk (de)/ˈsxuɱfaˌbrik/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- bedrijf waar men machinaal schoenen produceertDatgene waarvan ik als jong meisje dacht dat het toeval was, namelijk dat ik in een schoenwinkel stond omdat mijn vader ooit als voorman bij schoenfabriek Oscaria in (3)rebro heeft gewerkt, bleek iets wat me zou blijven vergezellen.De laarzen worden onderdeel van de standaarduitrusting van het leger. Emma mag drie jaar lang de materialen en het logistieke traject verzorgen van de woestijnlaarzen, die NFSSP zelf in elkaar zet in zijn plaatselijke schoenfabriek. Daarnaast stelt het bedrijf zijn Nederlandse kennis, ervaring en begeleiding beschikbaar. Emma, dat 86 jaar geleden werd opgericht, spreekt van de grootste order ooit.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek