school

mannelijk/vrouwelijk (de)/sxol/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderwijs (onderwijs) een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen
    Het is verplicht dat kinderen naar school gaan.
    `Van Sinterklaas tot Sintemaarten' is bestemd voor Nederland en Vlaanderen. Wij hopen van harte dat het boek, mede door de grote toewijding waarmee Otto Dicke het heeft geïllustreerd, met vreugde gebruikt zal worden. Niet alleen voor de jeugd, in gezin en school, maar ook door alleenstaanden en zieken. Kortom: allen die zich willen verdiepen in de 'feestelijke' kant van het leven.
    Tijdens het lopen dwaalden mijn gedachten vaak af naar mijn drie kinderen die nietsvermoedend aan de andere kant van de wereld op school zaten.
  2. dierkunde (dierkunde) een zwemmende groep gelijksoortige vissen
    Daar zwom een school karpers.
  3. onderwijs (onderwijs) onderwijs
    In de zomer hebben leerlingen meerdere weken geen school.
  4. achterban, volgelingen
    De politicus komt uit de school van Pim Fortuyn.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘onderwijsinstelling’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • Uit de school klappeneen geheim verklappen
  • School maken (met)toonaangevend, spraakmakend of vernieuwend zijn

Vertalingen

Engelsschool, school
Fransécole
DuitsSchule, Schule
Spaansescuela
Italiaansscuola
Portugeesescola
Russischшкола
Turksokul
Poolsszkoła, ławica
Zweedsskola
Deensskole