school
mannelijk/vrouwelijk (de)/sxol/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (onderwijs) een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingenHet is verplicht dat kinderen naar school gaan.`Van Sinterklaas tot Sintemaarten' is bestemd voor Nederland en Vlaanderen. Wij hopen van harte dat het boek, mede door de grote toewijding waarmee Otto Dicke het heeft geïllustreerd, met vreugde gebruikt zal worden. Niet alleen voor de jeugd, in gezin en school, maar ook door alleenstaanden en zieken. Kortom: allen die zich willen verdiepen in de 'feestelijke' kant van het leven.Tijdens het lopen dwaalden mijn gedachten vaak af naar mijn drie kinderen die nietsvermoedend aan de andere kant van de wereld op school zaten.
- (dierkunde) een zwemmende groep gelijksoortige vissenDaar zwom een school karpers.
- (onderwijs) onderwijsIn de zomer hebben leerlingen meerdere weken geen school.
- achterban, volgelingenDe politicus komt uit de school van Pim Fortuyn.
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘onderwijsinstelling’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Uitdrukkingen
- Uit de school klappen — een geheim verklappen
- School maken (met) — toonaangevend, spraakmakend of vernieuwend zijn
Vertalingen
Engelsschool, school
Fransécole
DuitsSchule, Schule
Spaansescuela
Italiaansscuola
Portugeesescola
Russischшкола
Turksokul
Poolsszkoła, ławica
Zweedsskola
Deensskole
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek