schoonzoon

mannelijk (de)/ˈsxonzon/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. familie (familie) de man van een dochter of zoon
    De waarde van de Turkse lira is naar een nieuw dieptepunt gedaald. De daling werd deze week ingezet na het nieuws dat de Turkse president Recep Tayyip Erdogan zijn schoonzoon tot nieuwe minister van Financiën heeft benoemd. [https://www.nu.nl/economie/5358920/turkse-lira-daalt-nieuw-dieptepunt.html www.nu.nl]
    Owens speelde in de jaren 80 schoonzoon Elvin in de hitserie. Alhoewel hij in de jaren daarna geregeld kleine gastrolletjes had in televisieseries, bleef het grote werk uit voor de inmiddels 57-jarige. Hij ging daardoor werken buiten de entertainmentindustrie, en werd afgelopen week door een klant gefotografeerd in de supermarkt waar hij een baan heeft. De foto kwam online te staan, waar veel mensen honend reageerden. Tubantia 03-09-18 [https://www.tubantia.nl/show/cosby-show-acteur-uitgelachen-om-supermarktbaantje~aba0407d/ Cosby Show-acteur uitgelachen om supermarktbaantje]
    Haar vader de baron verlangde een welgestelde schoonzoon en dat was een onmogelijke eis.

Etymologie

*afgeleid van zoon

Vertalingen

Engelsson-in-law
Fransbeau-fils, gendre
DuitsSchwiegersohn
Spaansyerno
Italiaansgenero
Portugeesgenro
Poolszięć
Zweedssvärson