schoppen

mannelijk/vrouwelijk (de)/'sxɔ.pə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. een trap geven
    Hij schopte de bal in het net.
  2. het ver schoppen: succesvol zijn in het leven
    Hij kwam uit een eenvoudige familie, maar schopte het ver doordat hij een succesvol bedrijf begon.
    Oscar en hij hadden natuurlijk een ingenieursfirma kunnen beginnen in Bergen, ze zouden meer hebben kunnen verdienen dan de eerste levensbehoeften, zelfs iets hogerop zijn gekomen, al hadden ze het hoogstwaarschijnlijk niet tot de sociëteit van Bergen geschopt.
zelfstandig naamwoord
  1. kaartspel (kaartspel) ♠, een kleursoort in het kaartspel
    Ik bood twee schoppen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘met de voet treffen’ aangetroffen vanaf 1390

Vertalingen

Engelskick, spades
Fransdonner des coups de pied, pique
Duitstreten, Pik
Spaansdar patadas, pica