schop
mannelijk/vrouwelijk (de)/sxɔp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) een graafwerktuigOm dat het veld met de schop om te spitten is een heel karwei.
- (bouwkunde) bijgebouw bij de boerderijIn de open schop bij de boerderij werd turf opgeslagen.
- (kaartspel) gewoonlijk schoppen, een van beide zwarte speelkleuren, ♠Ik kon gelukkig op die ingetroefde slag mijn vuile schopje kwijt.
zelfstandig naamwoord
- trappende aanraking met de voetIk heb hem daarop een grote schop verkocht.
Etymologie
*[B]: van "schoppen"
Uitdrukkingen
- De schop afkuisen — Stoppen met werken
- Op de schop gaan/moeten — Grote veranderingen (moeten) ondergaan
- Op de schop nemen — Grote veranderingen in iets aanbrengen
Vertalingen
Engelsshovel, spade, kick
Franscoup de pied
DuitsSpaten, Schaufel, völlig umgestalten
Spaanslaya, pala, puntapié
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek