schep

mannelijk/vrouwelijk (de)/sxɛp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) lepelvormig werktuig waarmee een hoeveelheid vast materiaal verplaatst kan worden
    Hij pakte een schep en haalde wat kolen uit het hok.
    Hij deed twee scheppen suiker in de koffie.

Etymologie

*: "scheppen" zonder de uitgang -en

Vertalingen

Engelsscoop, shovel
DuitsSchippe, Schaufel
Spaanspala