schepbek
mannelijk (de)/ˈsxɛbɛk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) (grasparkiet) afwijkende vorm van een snavel waarbij de bovensnavel niet over, maar in de ondersnavel valtNormaal gaat de bovensnavel over de ondersnavel heen. Bij de schepbek is dit dan precies andersom, dus de ondersnavel gaat om de bovensnavel heen.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek