schors

vrouwelijk (de)/sxɔrs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. buitenste laag van stengels, takken en wortels bij houtige vaatplanten, in het bijzonder het dode kurkweefsel (niet te verwarren met de bast, die er levend vlak onder ligt)

Etymologie

* Middelnederlands scor(t)se, scur(t)se, leenwoord uit Oudfrans escorce ‘schors, bast’, waaruit Frans écorce.

Vertalingen

Engelsshell bark, scale bark
DuitsBorke
Spaanscorteza
Zweedsbark