schors
vrouwelijk (de)/sxɔrs/
Wat is de betekenis van schors?
schors betekent: buitenste laag van stengels, takken en wortels bij houtige vaatplanten, in het bijzonder het dode kurkweefsel (niet te verwarren met de bast, die er levend vlak onder ligt)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- buitenste laag van stengels, takken en wortels bij houtige vaatplanten, in het bijzonder het dode kurkweefsel (niet te verwarren met de bast, die er levend vlak onder ligt)
Etymologie
* Middelnederlands scor(t)se, scur(t)se, leenwoord uit Oudfrans escorce ‘schors, bast’, waaruit Frans écorce.
Vertalingen
Engelsshell bark, scale bark
DuitsBorke
Spaanscorteza
Zweedsbark
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek