schort

/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) een lap stof die voorgebonden wordt gewoonlijk rond de middel om de kleding te beschermen bij huishoudelijke taken zoals het koken of schoonmaken
    Ik zet de afzuiginstallatie uit, loop naar de omkleedkamer en maak de knopen van mijn schort los.
    Dat liet ik me geen twee keer zeggen en ik kreeg meteen een schort om.

Etymologie

* In de betekenis van ‘boezelaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1442

Vertalingen

Engelsapron
Spaansdelantal
Russischфартук, передник