schotel
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsxotəl/
Wat is de betekenis van schotel?
schotel betekent: (huishouden) platte ronde schaal met opstaande rand
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (huishouden) platte ronde schaal met opstaande rand
- (voeding) een gerecht
- (meestal verkleinwoord) een schaaltje onder een kopje
- (communicatie) een antenne voor televisieontvangst
- een vliegende schotel: een omstreden discusvormig object dat door de lucht zweeft, ufo
Voorbeelden van "schotel" in een zin
- Hij legde de gebraden kip op een schotel.
- Onze specialiteit is een schotel van waterkonijn in een mosterdsabayon op rijst.
- Leg het lepeltje maar op het schoteltje van het koffiekopje.
- De buren hebben een schotel om buitenlandse zenders te ontvangen.
- De man beweerde gisternacht een vliegende schotel te hebben gezien.
Etymologie
* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn "scutella" (klassiek "scutulum"), in de betekenis van ‘schaal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelsdish, dish, saucer
Fransassiette, repas, soucoupe
DuitsTeller, Gericht, Teller
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek