schouder

mannelijk (de)/ˈsxɑudər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) gewricht dat een bovenarm met de romp verbindt
  2. anatomie (anatomie) (bij uitbreiding) elk van de bovenste delen van de romp van de hals tot en met het begin van de bovenarm
    Hoewel de feesten de hoofdrol spelen, hebben ook enkele andere inspirerende en schilderachtige figuren een plaats gekregen. Zoals Franciscus, Hieronymus en Christofoor, die de hele wereld (het Christuskind) op zijn schouder draagt.
    Ik was moe en had blauwe plekken op mijn schouders van mijn rugzakbanden.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands scoudere, scolder, ontwikkelt uit Oergermaans *skuldrō-; herkomst onduidelijk. Evenzo Nederduits Schüller, Schuller, Duits Schulter en Fries skouder.

Uitdrukkingen

  • Brede schouders hebbenVeel kunnen verdragen
  • De schouders laten hangenMoedeloos zijn, terneergeslagen zijn
  • Elkaar op de schouders slaanTeken van vreugde en enthousiasme
  • Het zijn sterke schouders die de weelde kunnen dragenRijkdom bederft vaak het karakter
  • Iemand een schouderklopje gevenIemand een teken van goedkeuring of ondersteuning geven
  • Iemand op de schouders nemenIemand publiekelijk huldigen
  • Zijn schouders onder iets zettenZich voor iets inspannen
  • op iemand schouders neerkomeneen grote verantwoordelijkheid hebben

Vertalingen

Engelsshoulder
Fransépaule
DuitsSchulter
Spaanshombro
Italiaansspalla
Portugeesombro
Russischплечо
Turksomuz
Poolsbark
Zweedsskuldra
Deensskulder