Schouw

mannelijk/vrouwelijk (de)/sxɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. formeel (formeel) inspectie, visitatie
  2. stookplaats
  3. schoorsteenmantel
    Dat potje confituur dat u op uw schouw liet staan, zit er vol mee ' 'Maar wiens lotsbestemming?' 'Die van iedereen,' antwoordt Caspar.
    Niet te veel glans, want Nederlanders houden niet van protserigheid, maar genoeg om er een feest voor het oog van te maken als je blik door de kamer dwaalt, van de hoek van een prachtige houten kast naar' de schoonheid van een schilderijlijst, van de zacht tikkende klok op de schouw naar het goedgevulde kussen met klimopborduursel dat tegen Nella's ruggengraat drukt.
  4. schoorsteen
  5. scheepvaart, geschiedenis (scheepvaart) (geschiedenis) een vissersscheepje met de kenmerken van de aak
  6. scheepvaart (scheepvaart) platte schuit voor het overzetten van personen en goederen, overzetboot, pont, pontveer, veerboot, veerpont
    Op de zaterdagavonden probeerde Piet in het donker, na het ingaan van de avondklok, als er niemand meer buiten mocht zijn, zo geruisloos mogelijk met de schouw naar de andere kant van de Graafstroom te varen om zijn meisje op te zoeken.
  7. verouderd (f) (verouderd) schuwheid

Etymologie

* In de betekenis van ‘bezichtiging’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1284

Vertalingen

Engelsinspection, fireplace, hearth
Spaansvisitación, chimenea, transbordador