Schouw
mannelijk/vrouwelijk (de)/sxɑu/
Wat is de betekenis van Schouw?
Schouw betekent: (formeel) inspectie, visitatie
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (formeel) inspectie, visitatie
- stookplaats
- schoorsteenmantel
- schoorsteen
- (scheepvaart) (geschiedenis) een vissersscheepje met de kenmerken van de aak
- (scheepvaart) platte schuit voor het overzetten van personen en goederen, overzetboot, pont, pontveer, veerboot, veerpont
- (f) (verouderd) schuwheid
Voorbeelden van "Schouw" in een zin
- Dat potje confituur dat u op uw schouw liet staan, zit er vol mee ' 'Maar wiens lotsbestemming?' 'Die van iedereen,' antwoordt Caspar.
- Niet te veel glans, want Nederlanders houden niet van protserigheid, maar genoeg om er een feest voor het oog van te maken als je blik door de kamer dwaalt, van de hoek van een prachtige houten kast naar' de schoonheid van een schilderijlijst, van de zacht tikkende klok op de schouw naar het goedgevulde kussen met klimopborduursel dat tegen Nella's ruggengraat drukt.
- Op de zaterdagavonden probeerde Piet in het donker, na het ingaan van de avondklok, als er niemand meer buiten mocht zijn, zo geruisloos mogelijk met de schouw naar de andere kant van de Graafstroom te varen om zijn meisje op te zoeken.
Etymologie
* In de betekenis van ‘bezichtiging’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1284
Vertalingen
Engelsinspection, fireplace, hearth
Spaansvisitación, chimenea, transbordador
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek