Schraal

/sraɫ/

Wat is de betekenis van Schraal?

Schraal betekent: armzalig, minimaal

Betekenis

bijvoeglijk naamwoord
  1. armzalig, minimaal
  2. onaangenaam uitdrogend
  3. uitgedroogd, geïrriteerd
werkwoord
  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schralen
  2. gebiedende wijs van schralen
  3. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schralen

Voorbeelden van "Schraal" in een zin

  • Door de droogte was er maar een schrale oogst.
  • Ik rol een afgebrande lucifer tussen duim en wijsvinger en prik bijwijlen met de geblakerde spits in mijn vlees, een schraal substituut voor het roken. Alles voelt trouwens schraal.
  • Hij zocht beschutting van de schrale wind.
  • Zij smeerde wat balsem op de schrale plekken op haar handen.
  • Ik schraal.

Etymologie

In de betekenis van ‘mager’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599

Vertalingen

Engelsmiserly