schrik
mannelijk (de)/sxrɪk/
Wat is de betekenis van schrik?
schrik betekent: hevige plotselinge angst, bijvoorbeeld als gevolg van een onverwachte verandering of gevaarlijke situatie
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- hevige plotselinge angst, bijvoorbeeld als gevolg van een onverwachte verandering of gevaarlijke situatie
Voorbeelden van "schrik" in een zin
- Zo kwam ik een keer na een lange dag aan bij een op de kaart gemarkeerde waterbron om tot mijn schrik te ontdekken dat hij helemaal was opgedroogd.
- Zijn ogen waren wijd open van schrik.
Etymologie
*, gesubstantiveerde werkwoordsstam van schrikken
Uitdrukkingen
- De schrik slaat [me/je, ...] om het hart — Dat is om erg van te schrikken
- Met de schrik vrijkomen — Bij een ongeval niet lichamelijk gewond raken, maar wel erg schrikken
Vertalingen
Engelsfright, terror
Spaanssusto, terror
Italiaanspaventi
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek