schrik

mannelijk (de)/sxrɪk/

Wat is de betekenis van schrik?

schrik betekent: hevige plotselinge angst, bijvoorbeeld als gevolg van een onverwachte verandering of gevaarlijke situatie

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hevige plotselinge angst, bijvoorbeeld als gevolg van een onverwachte verandering of gevaarlijke situatie

Voorbeelden van "schrik" in een zin

  • Zo kwam ik een keer na een lange dag aan bij een op de kaart gemarkeerde waterbron om tot mijn schrik te ontdekken dat hij helemaal was opgedroogd.
  • Zijn ogen waren wijd open van schrik.

Betekenis en uitleg van schrik

Schrik is de plotselinge reactie van angst of verrassing die je kunt voelen wanneer iets onverwachts gebeurt. Het is vaak een lichamelijke reactie, waarbij je hart sneller gaat kloppen of je even verstijft van de schrik.

Je gebruikt het woord 'schrik' vaak in situaties waarin je wordt overvallen door een plotselinge gebeurtenis, zoals een harde knal of een onverwachte ontmoeting. De nuance van schrik kan variëren van een lichte schrik voor iets onschuldigs tot een ernstige schrik die angst oproept. Het woord kan ook in figuurlijke zin gebruikt worden, bijvoorbeeld wanneer iemand schrik heeft van een vervelende boodschap.

Voorbeelden

  • Toen de deur onverwacht dichtsloeg, kreeg ik een flinke schrik.
  • Ze kreeg de schrik van haar leven toen ze haar oude klasgenoot in de stad tegenkwam.
  • Na het zien van de horrorfilm had hij nog urenlang last van de schrik.

Woordoorsprong

Het woord 'schrik' stamt af van het Middelnederlandse 'scric', wat verwant is aan het Oudgermaanse 'skrikō', dat ook een soort van schrik of angst aanduidt.

Veelgestelde vragen over schrik

Wat is de betekenis van schrik?

schrik betekent: hevige plotselinge angst, bijvoorbeeld als gevolg van een onverwachte verandering of gevaarlijke situatie

Welk woordgeslacht heeft schrik?

schrik is een mannelijk (de).

Hoe gebruik je schrik in een zin?

Voorbeeld: “Zo kwam ik een keer na een lange dag aan bij een op de kaart gemarkeerde waterbron om tot mijn schrik te ontdekken dat hij helemaal was opgedroogd.

Etymologie

*, gesubstantiveerde werkwoordsstam van schrikken

Uitdrukkingen

  • De schrik slaat [me/je, ...] om het hartDat is om erg van te schrikken
  • Met de schrik vrijkomenBij een ongeval niet lichamelijk gewond raken, maar wel erg schrikken

Vertalingen

Engelsfright, terror
Spaanssusto, terror
Italiaanspaventi