seizoenarbeid

mannelijk (de)/sɛiˈzunɑrbɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. betaald werk met de eigenschap dat het alleen maar in bepaalde periode van het jaar kan worden gedaan
    De gedachtenflarden die het verst in de tijd teruggaan zijn de herinneringen aan de seizoenarbeid met de suikerrietkap op Cuba, de oogstfeesten, het dansen en de flirt met de Cubaanse schonen.