seizoen

onzijdig (het)/sɛiˈzun/

Wat is de betekenis van seizoen?

seizoen betekent: (tijdrekening), (eenheid) elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt, en gekenmerkt wordt door astronomische en klimatologische eigenschappen

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tijdrekening, eenheid (tijdrekening), (eenheid) elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt, en gekenmerkt wordt door astronomische en klimatologische eigenschappen
  2. een jaarlijks terugkerende periode
  3. iets dat een keer per jaar een deel van het jaar duurt

Voorbeelden van "seizoen" in een zin

  • Ik geloof in de kracht van de natuur, in het wonder van de seizoenen, en de elementen die continu in beweging zijn.
  • In het huidige seizoen komt, naast het liefdesgeluk van Gerda en Klaas, ook de nieuwe vlam van kapper Teun Föhn voorbij. Genoeg luchtige en vrolijke onderwerpen dus. ,,Over de schaduwkant van Urk willen we het juist niet hebben. Die kant komt in de media al zo vaak naar voren”, verklaarde Wong bij aanvang van het vierde seizoen.

Betekenis en uitleg van seizoen

Een seizoen is een periode van het jaar die gekenmerkt wordt door specifieke weersomstandigheden en natuurlijke veranderingen. Denk aan de vier seizoenen: lente, zomer, herfst en winter, die elk hun eigen unieke sfeer en activiteiten met zich meebrengen.

Het woord 'seizoen' wordt vaak gebruikt om de cyclus van de natuur aan te duiden, maar ook in andere contexten zoals mode, sport en cultuur. Zo kan men bijvoorbeeld spreken van het 'televisieseizoen' of 'vlees-seizoen', waarbij de termen verwijzen naar specifieke periodes waarin bepaalde dingen populair of relevant zijn. De nuance van het woord kan variëren afhankelijk van de context; zo kan 'seizoen' ook een gevoel van verandering en vernieuwing oproepen.

Voorbeelden

  • Tijdens de herfst veranderen de bladeren van kleur, wat een prachtig schouwspel oplevert in het seizoen van de oogst.
  • In het televisieseizoen worden vaak nieuwe series gelanceerd en oude series afgesloten.
  • De zomer is het seizoen waarin veel mensen op vakantie gaan en genieten van lange, zonnige dagen.

Woordoorsprong

Het woord 'seizoen' komt van het Latijnse 'sessio', wat 'zetel' of 'plaats' betekent, en verwijst naar de tijd die iemand op een bepaalde plaats doorbrengt.

Veelgestelde vragen over seizoen

Wat is de betekenis van seizoen?

seizoen betekent: (tijdrekening), (eenheid) elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt, en gekenmerkt wordt door astronomische en klimatologische eigenschappen

Hoeveel betekenissen heeft seizoen?

seizoen heeft 3 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft seizoen?

seizoen is een onzijdig (het).

Wat zijn synoniemen van seizoen?

Synoniemen van seizoen zijn: jaargetijde.

Hoe gebruik je seizoen in een zin?

Voorbeeld: “Ik geloof in de kracht van de natuur, in het wonder van de seizoenen, en de elementen die continu in beweging zijn.

Etymologie

*Afkomstig van het Franse woord saison.

Vertalingen

Engelsseason, season
Franssaison
DuitsJahreszeit, Saison
Spaansestación, estación del año, temporada
Italiaansstagione
Portugeesestação
Chinees季, 季节
Japans季節
Zweedsårstid