Senior
mannelijk (de)/ˈseniˌjɔr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de oudere
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘65-plusser’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1992
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘65-plusser’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1992