showen

/ˈʃowə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. laten zien om te laten beoordelen, laten zien om indruk te maken
    Anderhalve maand later kwam het pakket binnen met een paar voor Baba en een paar voor mij. Ik gebruikte de schoenen voor mijn sportoefeningen, Baba om ermee te showen. {{Aut | Oubelkas, Joseph
    ` Op strikt boekhoudkundig gebied echter was de oogst teleurstellend te noemen, maar hij wist dat te verdoezelen door de anderen een pas aangeschaft kantoormeubel te showen, een super-de-luxe postbak. {{Aut|Valens, Anton

Etymologie

* uit het Engels

Vertalingen

Engelsshow