sigaret

mannelijk/vrouwelijk (de)/siɣ(a)ˈrɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. rolletje fijngekorven tabak in een omhulsel van speciaal papier, om daarin gerookt te worden
    Sigaretten zijn slecht voor de gezondheid.
    Hockney houdt zijn sigaret omhoog, de askegel valt op de grond. ‘Heeft iemand een asbak voor David?’ de Volkskrant John Schoorl25 februari 2019 [https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/81-jarige-kunstenaar-david-hockney-woont-in-los-angeles-met-zijn-entourage-en-komt-de-dag-door-met-heel-veel-sigaretten-maar-zonder-alcohol~b394910a/ 81-jarige kunstenaar David Hockney woont in Los Angeles met zijn entourage en komt de dag door met heel veel sigaretten, maar zonder alcohol]
    Hij had een sigaretje zitten roken. {{Aut|Pfeiffer, Ilja Leonard

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rol tabak in papier om te roken’ voor het eerst aangetroffen in 1869

Vertalingen

Engelscigarette
Franscigarette
DuitsZigarette
Spaanscigarrillo, pitillo
Turkssigara
Poolspapieros
Zweedscigarett