siroop
mannelijk/vrouwelijk (de)/siˈrop/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) (drinken) dikke, zeer zoete vloeistof (want praktisch alleen uit suiker bestaand)
- drank gemaakt door bovenstaande vloeistof aan te lengen met water
Etymologie
* via Middelnederlands "siroop", "sirop" en middeleeuws Latijn "siropus" van "شراب" (šarāb) "drank"; in de betekenis van ‘dikke vloeistof’ aangetroffen vanaf 1240
Vertalingen
Engelssyrup
Spaansalmíbar, jarabe, jarabe de azúcar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek