stroop

mannelijk/vrouwelijk (de)/strop/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) dikke, viskeuze, geconcentreerde vloeistof waarin een grote hoeveelheid suikers zijn opgelost
    Een boterham met stroop.
  2. (m) het stropen van wild

Etymologie

*in de uitspraak ontstaan uit "siroop", mogelijk via tussenvormen als "seroop" en "sroop", in de betekenis van ‘dikke vloeistof’ voor het eerst aangetroffen in 1514

Uitdrukkingen

  • iemand stroop om de mond smereniemand overdreven vleien (meestal met de bijbedoeling diens vertrouwen op zo'n manier te winnen dat men er zelf nog het meeste baat bij heeft)

Vertalingen

Engelssyrup, treacle
Franssirop
DuitsSirup
Spaansalmíbar
Italiaanssciroppo
Portugeesxarope
Russischсироп
Chinees糖漿
Japansシロップ
Arabischشراب صيدلاني
Poolssyrop
Zweedssirap
Deenssirup