slaag

mannelijk (de)/slaːx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het uitdelen of ontvangen van klappen
    Hij kreeg een flink pak slaag.
    Degene die een pak slaag kreeg van Berts nieuwste idool Max Schmeling en dus geen Duits zwaargewichtkampioen werd.

Etymologie

* van slaan.

Vertalingen

Engelsspanking
DuitsPrügel