slachtoffer

onzijdig (het)/ˈslɑxtɔfər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een dier dat (of mens die) gedood wordt als offer voor een godheid
  2. iets of iemand die zonder eigen schuld kwalijke gevolgen ondervindt van een gebeurtenis
    Hij werd het slachtoffer van een overval.
    Het bedrijf werd het slachtoffer van gewetenloze speculanten.
    Haar vader had financiële problemen, Louise noch hij wist er de details van, maar ze hadden begrepen dat het om een paar minder geslaagde zaken ging, misschien zelfs van die zaken die zo nu en dan voorkomen in oorlogstijd, die zaken waarbij je het risico liep het slachtoffer te worden van minder gewetensvolle debiteurs.
  3. in het bijzonder iemand die sterft (of gewond raakt) ten gevolge van een gebeurtenis (ramp of gewelddaad)
    De vliegramp maakte 200 slachtoffers.
    In Nederland duurde die oorlog van het jaar 1940 tot 1945. Nederland was bezet door Duitsland. De Duitsers waren de baas over Nederland. Het was een heel moeilijke tijd. Er vielen veel doden. Ieder jaar worden de slachtoffers van de oorlog herdacht op 4 mei. En ieder jaar wordt op 5 mei gevierd dat Nederland een vrij land is.
    Fotocollage van de slachtoffers: Er komen twee lange wanden te staan met de namen van alle slachtoffers. Nabestaanden en genodigden kunnen daar een bloem achterlaten zodat een erehaag ontstaat. Aan het einde van de ceremonie wordt een collage geprojecteerd van foto's van de slachtoffers. De nabestaanden hebben die foto's ingezonden.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘iem. die het offer is van de belangen van een ander’ voor het eerst aangetroffen in 1556

Vertalingen

Engelsvictim, sacrificial animal, victim
Fransvictime, victime, accidenté
DuitsSchlachtopfer, Opfer, Beute
Spaansvíctima
Italiaansvittima, vittima, vittima
Poolsofiara