slager
mannelijk (de)/ˈslaɣər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) een verkoper van vleesHij is naar de slager voor gehakt.Het dorpsplein was leeg en de luiken van het café op de hoek waren dicht; de kerk was nog steeds een zwart geraamte; de slager was gesloten; in de school en de bijgebouwen geen enkel teken van leven.'Want nu verkopen we onze schilderijen om de slager te betalen.
- een wreed mensDie slager is erg gevaarlijk.
- (informeel) chirurgIk moet morgen nog naar de slager.
Etymologie
* van slaan
Uitdrukkingen
- een slager die zijn eigen vlees keurt
- (via Afrikaans): isilarha
Vertalingen
Engelsbutcher
Fransboucher
DuitsFleischer, Metzger
Spaanscarnicero
Italiaansmacellaio
Portugeesmagarefe, carniceiro
Zweedsslaktare
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek