slager

mannelijk (de)/ˈslaɣər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) een verkoper van vlees
    Hij is naar de slager voor gehakt.
    Het dorpsplein was leeg en de luiken van het café op de hoek waren dicht; de kerk was nog steeds een zwart geraamte; de slager was gesloten; in de school en de bijgebouwen geen enkel teken van leven.
    'Want nu verkopen we onze schilderijen om de slager te betalen.
  2. een wreed mens
    Die slager is erg gevaarlijk.
  3. informeel (informeel) chirurg
    Ik moet morgen nog naar de slager.

Etymologie

* van slaan

Uitdrukkingen

  • een slager die zijn eigen vlees keurt
  • (via Afrikaans): isilarha

Vertalingen

Engelsbutcher
Fransboucher
DuitsFleischer, Metzger
Spaanscarnicero
Italiaansmacellaio
Portugeesmagarefe, carniceiro
Zweedsslaktare