slagerij

vrouwelijk (de)/ˌslaɣəˈrɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bedrijf (bedrijf) bedrijf van een slager
    Als er dan toch een feestje moest komen wilde hij het in de slagerij houden, waar je kon boksen met halve runderen, op de burrie kon rijden, varkensblazen kon opblazen en als een Tarzan aan vleeshaken kon zwaaien.
    En niemand mocht dit weten, uitlekken zou het einde van de slagerij betekenen.

Etymologie

* van slaan of afgeleid van slager

Vertalingen

Engelsbutcher's shop
Fransboucherie
DuitsMetzgerei, Fleischerei
Spaanscarnicería
Italiaansmacelleria
Russischмясная лавка
Zweedsslakteri