slagroom
mannelijk (de)/ˈslɑxrom/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) room met een vetgehalte van 30 tot 40%, die opgeklopt kan worden, onder andere gebruikt om taarten en gebak te decoreren
Etymologie
* leenvertaling van "Schlagrahm", op te vatten als , in de betekenis van ‘vette, stijfgeklopte room’ in advertenties aangetroffen vanaf 1884 en in het Haags Kookboek
Vertalingen
Engelswhipped cream
Franschantilly, crème fouettée
DuitsSchlagsahne
Spaansnata batida, nata montada
Poolsbita śmietana
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek