slapte

vrouwelijk (de)/ˈslɑptə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gevoel van krachteloosheid
    Er gebeurt niets. Ze begint te snikken, huilt als een kind. Ze schaamt zich voor zichzelf. Sta op, denkt ze, sta op, maar de slapte vloeit door heel haar lichaam en ze blijft op straat zitten, starend naar de uitdijende rode bloedvlek op haar knie. Het is gevaarlijk om iets te bezitten. Voorbarig, nee, stom om je gelukkig te wanen met een pasteitje zolang je het nog niet in je mond gestoken hebt. Stop met huilen. Sta Op. {{Aut|Beijnum, Kees van
  2. periode dat er weinig omzet is voor een bedrijf, een slappe tijd
    De soms gehoorde klacht dat er te véél jongeren naar de universiteit gaan en er dus te veel masters worden afgeleverd, die in jobs onder hun niveau belanden, kan Leroy niet onderschrijven. ‘Er zijn meer hooggeschoolden iets langer werkloos, maar dat is een gevolg van de economische slapte. Op termijn is een hoger diploma nog altijd de beste garantie op werk.’ de Standaard 22 SEPTEMBER 2014 Pascal Sertyn en Tom Ysebaert

Etymologie

*[B] "slap" met de uitgang -te

Vertalingen

Engelsslackness, lethargy