sleutel
mannelijk (de)/ˈsløtəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een instrument waarmee een slot geopend of gesloten kan wordenAls je je sleutel echt kwijt bent dan wordt het buiten slapen vannacht.Ze laat de dikke, eikenhouten deur van haar slaapkamer op een kiertje staan en hangt haar sleutel ernaast, maar als ze 's ochtends wakker wordt, is die onaangeraakt, net als zij.Ze hoort dat hij zijn sleutel omdraait, en als de angst voor de donkere gang haar weer overweldigt, rent ze naar haar slaapkamer op de eerste verdieping.
- (techniek), (gereedschap) een stuk gereedschap om bouten en moeren mee aan te draaienDe moer is dolgedraaid, de sleutel heeft er geen grip meer op.
- (techniek) een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.Achter de pendule ligt de sleutel om hem op te winden.
- een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(-schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregenDe sleutel die bij dit geheimschrift hoort, is nog niet gevonden.In 2018 ontdekte een door het Europees ruimteagentschap (ESA) aangestuurde sonde water onder het ijs van de zuidpool van de planeet. Het lokaliseren van ondergronds water vormt de sleutel bij het bepalen van de mogelijkheden tot leven op Mars, evenals bij het vaststellen of het een permanente bron voor een verkenning door mensen kan vormen.
- een aandeel of functie die in een groep van groot belang isWij hebben er hard voor gewerkt, maar zij is de sleutel tot het succes.
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands slōtel, sleutel, ontwikkeld uit Oergermaans *slutila-, afleiding bij het werkwoord *slūtan- ‘(af)sluiten’, waaruit sluiten, met het achtervoegsel *-ila voor gereedschappen. Vorm met umlaut is Vlaams, Zeeuws en Hollands; vgl. beugel, teugel. Eveneens Nederduits Slötel, Duits Schlüssel en Oudfries sletel.
Vertalingen
Engelskey, wrench, spanner
Fransclef, clé, clé anglaise
DuitsSchlüssel, Schraubenschlüssel, Schlüssel
Spaansllave, llave fija
Italiaanschiave, chiave inglese, chiavetta
Russischключ, ключ
Turksanahtar
Poolsklucz, klucz płaski
Zweedsnyckel, skruvnyckel, skiftnyckel
Deensnøgle
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek