sleutel

mannelijk (de)/ˈsløtəl/

Wat is de betekenis van sleutel?

sleutel betekent: een instrument waarmee een slot geopend of gesloten kan worden

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een instrument waarmee een slot geopend of gesloten kan worden
  2. techniek, gereedschap (techniek), (gereedschap) een stuk gereedschap om bouten en moeren mee aan te draaien
  3. techniek (techniek) een voorwerp bedoeld om er een mechaniek zoals van een klok of speeldoos mee op te winden, een kraan open te draaien e.d.
  4. een aanwijzing of code waarmee een raadsel kan worden opgelost, een geheim(-schrift) ontcijferd, een cijferslot geopend of toegang kan worden verkregen
  5. een aandeel of functie die in een groep van groot belang is

Voorbeelden van "sleutel" in een zin

  • Als je je sleutel echt kwijt bent dan wordt het buiten slapen vannacht.
  • Ze laat de dikke, eikenhouten deur van haar slaapkamer op een kiertje staan en hangt haar sleutel ernaast, maar als ze 's ochtends wakker wordt, is die onaangeraakt, net als zij.
  • Ze hoort dat hij zijn sleutel omdraait, en als de angst voor de donkere gang haar weer overweldigt, rent ze naar haar slaapkamer op de eerste verdieping.
  • De moer is dolgedraaid, de sleutel heeft er geen grip meer op.
  • Achter de pendule ligt de sleutel om hem op te winden.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands slōtel, sleutel, ontwikkeld uit Oergermaans *slutila-, afleiding bij het werkwoord *slūtan- ‘(af)sluiten’, waaruit sluiten, met het achtervoegsel *-ila voor gereedschappen. Vorm met umlaut is Vlaams, Zeeuws en Hollands; vgl. beugel, teugel. Eveneens Nederduits Slötel, Duits Schlüssel en Oudfries sletel.

Vertalingen

Engelskey, wrench, spanner
Fransclef, clé, clé anglaise
DuitsSchlüssel, Schraubenschlüssel, Schlüssel
Spaansllave, llave fija
Italiaanschiave, chiave inglese, chiavetta
Russischключ, ключ
Turksanahtar
Poolsklucz, klucz płaski
Zweedsnyckel, skruvnyckel, skiftnyckel
Deensnøgle