sleutelen
/ˈsløtələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) met sleutels aan een auto, motor of ander machine werken, met name door de machine uit elkaar te halen en weer in elkaar te zettenIn zijn vrije tijd sleutelde hij graag aan zijn Harley.
- (inerg) (figuurlijk) iets trachten te verbeteren door regelmatig kleine wijzigingen aan te brengenGedurende de eerste dagen werd er nog veel gesleuteld aan de nieuwe organisatie.
- (inerg) aan partnerruil doen door de huissleutels uit te lotenWanneer je sleutelt, beslist het lot over de samenstelling van de koppels.
Etymologie
*Denominaal afgeleid van sleutel.
Vertalingen
Engelstinker, tinker
Fransbricoler, bagosser, bricoler
Duitstüfteln, tüfteln
Spaanstrastear, trastear
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek