sleutelen

/ˈsløtələ(n)/

Wat is de betekenis van sleutelen?

sleutelen betekent: (inerg) met sleutels aan een auto, motor of ander machine werken, met name door de machine uit elkaar te halen en weer in elkaar te zetten

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) met sleutels aan een auto, motor of ander machine werken, met name door de machine uit elkaar te halen en weer in elkaar te zetten
  2. inerg, figuurlijk (inerg) (figuurlijk) iets trachten te verbeteren door regelmatig kleine wijzigingen aan te brengen
  3. inerg (inerg) aan partnerruil doen door de huissleutels uit te loten

Voorbeelden van "sleutelen" in een zin

  • In zijn vrije tijd sleutelde hij graag aan zijn Harley.
  • Gedurende de eerste dagen werd er nog veel gesleuteld aan de nieuwe organisatie.
  • Wanneer je sleutelt, beslist het lot over de samenstelling van de koppels.

Etymologie

*Denominaal afgeleid van sleutel.

Vertalingen

Engelstinker, tinker
Fransbricoler, bagosser, bricoler
Duitstüfteln, tüfteln
Spaanstrastear, trastear