slof

mannelijk (de)/slɔf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) een comfortabel soort schoeisel bedoeld om in huis gedragen te worden (pantoffel zonder hak en hiel), muil, muiltje, slipper
    Hij liep nog op zijn sloffen.
  2. samen verpakte kleinere pakjes
    Geef mij die hele slof sigaretten maar.
  3. spanen hengselmandje voor vruchten
  4. (meer algemeen) langwerpig voorwerp

Etymologie

#(voeding), (gewestelijk) oud en "muf" smakend, vooral gezegd van koekjes

Uitdrukkingen

  • Dat win ik op mijn sloffenDat win ik heel gemakkelijk
  • Op een schoen en een slof aankomenNiets hebben en ergens komen
  • Uit zijn slof schietenErg boos worden, of: erg actief worden
  • Het vuur uit de sloffen lopenHeel erg zijn best doen

Vertalingen

Engelsslipper
Franschausson
DuitsPantoffel, Puschen, Schluffen
Spaanschancleta, zapatilla
Zweedstoffel