slof
mannelijk (de)/slɔf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) een comfortabel soort schoeisel bedoeld om in huis gedragen te worden (pantoffel zonder hak en hiel), muil, muiltje, slipperHij liep nog op zijn sloffen.
- samen verpakte kleinere pakjesGeef mij die hele slof sigaretten maar.
- spanen hengselmandje voor vruchten
- (meer algemeen) langwerpig voorwerp
Etymologie
#(voeding), (gewestelijk) oud en "muf" smakend, vooral gezegd van koekjes
Uitdrukkingen
- Dat win ik op mijn sloffen — Dat win ik heel gemakkelijk
- Op een schoen en een slof aankomen — Niets hebben en ergens komen
- Uit zijn slof schieten — Erg boos worden, of: erg actief worden
- Het vuur uit de sloffen lopen — Heel erg zijn best doen
Vertalingen
Engelsslipper
Franschausson
DuitsPantoffel, Puschen, Schluffen
Spaanschancleta, zapatilla
Zweedstoffel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek