sloof
vrouwelijk (de)/slof/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vrouw die hard werkt, zwoegster, ploeteraarsterAssepoester was de sloof van al haar pleegzusjes.
- (n) voorschot
- Horizontale funderingsplaat van gewapend beton aangebracht op de koppen van de ingeheide palen Op deze plaat wordt de dragende zuil(steunpunt)voor de fly-overs gebouwd
Etymologie
* In de betekenis van ‘voorschoot met korte mouwen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1481
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek