sluimeren
/ˈslœymərə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (intr) dommelen
- (intr) inactief verborgen aanwezig zijnAan de overkant van de gracht sluimerden de ommuurde tuinen van Papadopoli, waar gemaskerde gasten van geheime feesten bij het vuur van fakkels als schimmen verschenen, gehuld in de zwarte mantel van de nacht.
Etymologie
*afgeleid van sluimer
Vertalingen
Engelsdoze, nap, slumber
Spaansechar la siesta
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek