smokkelen

/ˈsmɔ.kə.lə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) wederrechtelijk goederen over een grens brengen om heffingen te ontduiken
    Er werd in het verleden in Zeeuws-Vlaanderen veel gesmokkeld.
    D'een tijdt in Waterlandt en d'ander tot Iaep kaken, / De derde smockelt het en haelt het in ter sluyck, / En dat hiet zuynicheyt, dan 'tis een quaet ghebruyck, / Vry wat ghemeen, hoe wel men 't niet behoort te veelen.

Etymologie

:Noord: : "smugga" “iets heimelijk doen”, : smokka “wegglijden”

Vertalingen

Engelssmuggle
Franstrafiquer
Duitsschmuggeln
Spaanscontrabandear, matutear
Zweedssmuggla
Deenssmugle