smokkelen

/ˈsmɔ.kə.lə(n)/

Wat is de betekenis van smokkelen?

smokkelen betekent: (ov) wederrechtelijk goederen over een grens brengen om heffingen te ontduiken

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) wederrechtelijk goederen over een grens brengen om heffingen te ontduiken

Voorbeelden van "smokkelen" in een zin

  • Er werd in het verleden in Zeeuws-Vlaanderen veel gesmokkeld.
  • D'een tijdt in Waterlandt en d'ander tot Iaep kaken, / De derde smockelt het en haelt het in ter sluyck, / En dat hiet zuynicheyt, dan 'tis een quaet ghebruyck, / Vry wat ghemeen, hoe wel men 't niet behoort te veelen.

Betekenis en uitleg van smokkelen

Smokkelen betekent het stiekem en illegaal vervoeren van goederen of mensen, meestal om belasting of regels te omzeilen. Het kan variëren van het vervoeren van sigaretten tot het overbrengen van mensen over grenzen.

Het woord 'smokkelen' wordt vaak gebruikt in de context van illegale activiteiten, zoals drugshandel of mensenhandel. In het dagelijks leven kan het ook een informele betekenis hebben, zoals het heimelijk meenemen van iets wat niet is toegestaan. Smokkelen heeft vaak een negatieve connotatie, omdat het vaak gepaard gaat met criminaliteit.

Voorbeelden

  • De douane ontdekte dat de man probeerde te smokkelen met een grote hoeveelheid sigaretten in zijn koffer.
  • Tijdens de oorlog was het smokkelen van voedsel en medicijnen een levensreddende activiteit voor veel mensen.
  • De politie hield een aantal verdachten aan die regelmatig goederen smokkelden over de grens.

Woordoorsprong

Het woord 'smokkelen' komt van het Middelnederlands 'smochel', wat 'stiekem' of 'heimelijk' betekent.

Veelgestelde vragen over smokkelen

Wat is de betekenis van smokkelen?

smokkelen betekent: (ov) wederrechtelijk goederen over een grens brengen om heffingen te ontduiken

Hoe gebruik je smokkelen in een zin?

Voorbeeld: “Er werd in het verleden in Zeeuws-Vlaanderen veel gesmokkeld.

Etymologie

:Noord: : "smugga" “iets heimelijk doen”, : smokka “wegglijden”

Vertalingen

Engelssmuggle
Franstrafiquer
Duitsschmuggeln
Spaanscontrabandear, matutear
Zweedssmuggla
Deenssmugle