smout

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (België) reuzel: afgesmolten buikvet van het varken, gebruikt als broodbeleg, om te braden of als smeermiddel
    smout was de boter voor arme mensen
  2. smoutwerk: klein drukwerk

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands smalt ‘min of meer vloeibaar vet, olie’, ontwikkeld uit West-Germaans *smalta- ‘gesmolten vet’, deverbatief van het w.w. *smeltan- ‘smelten’; zie verder smelten. Evenals Nederduits Smolt en Duits Schmalz.