smout
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (België) reuzel: afgesmolten buikvet van het varken, gebruikt als broodbeleg, om te braden of als smeermiddelsmout was de boter voor arme mensen
- smoutwerk: klein drukwerk
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands smalt ‘min of meer vloeibaar vet, olie’, ontwikkeld uit West-Germaans *smalta- ‘gesmolten vet’, deverbatief van het w.w. *smeltan- ‘smelten’; zie verder smelten. Evenals Nederduits Smolt en Duits Schmalz.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek