snaar

mannelijk/vrouwelijk (de)/snar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lang zeer dun rond en flexibel voorwerp
  2. draad van een muziekinstrument die geluid produceert
    Zing en dans tezamen en wees blij, maar wees ieder alleen, zoals de snaren van een luit op zichzelf zijn, al doortrilt hen dezelfde muziek.
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd, familie (verouderd) (familie) "schoondochter"
    De turf souw vuerseeker de helft wel opslaan. Get hoe pronckte droncke Keesje vande Slochter: Mit zyn moye tuyt-meyt, hier ouwe Japen Dochter, En Mieuwes mal-monckt, die reet met sen jonghste snaar.

Etymologie

*[B] In de betekenis van ‘schoondochter’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285 . Voor de herkomst, zie "snoer", en voor de verwante vormen in de moderne talen, zie hieronder.. In deze betekenis is snaar in onbruik geraakt dankzij de opkomst van "schoondochter"

Uitdrukkingen

  • Een gevoelige snaar rakenIemand kwetsen door een verkeerde opmerking te maken; een moeilijk liggend onderwerp aansnijden

Vertalingen

Engelsstring
Franscorde
DuitsSaite
Spaanscordel, cuerda, nuera
Italiaansnuora
Portugeesnora
Poolssznur, struna, synowa