snoeperij

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verzamelnaam voor alle soorten snoepgoed
    Volgend weekend hebben we het Paasbakweekeind. Met Edwin Klaasen, de schrijver van het prachtige bakboek “Ik bak geweldig, jij trouwens ook”. Je kan nog meedoen. Vrijdag en zaterdag. Dan zijn Edwin en ik bij het Miele Inspirience Centre in Vianen. Een basiscursus bakken en je gaat naar huis met tassen vol paasbroed en snoeperij, de je zelf hebt gemaakt. De Telegraaf 24 jul. 2014 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/934536/niks-zo-lekker-dan-zelf-bakken Niks zo lekker dan zelf bakken]
    In 2012 werd voor 3,6 miljard euro aan snoeperij verkocht, per persoon 34 kilo (inclusief koekjes, chocolade, chips en dergelijke). De Telegraaf 25 nov. 2013 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1033135/snoepgoed Snoepgoed]
  2. een toetje met allerlei lekkere gerechten
    Als dessert serveren wij een ‘snoeperij uit grootmoeders keuken’. Gepocheerde peer en mousse van kaneelstokken, panna cotta met gelei van zuurtjes, chocoladelolly en een taartje van boterbabbelaars. Afsluitend koffie, cappuccino of thee en arretjes cake. Tubantia 29-11-17 [https://www.tubantia.nl/lezersmenu/lezersmenu-december-de-postelhoek-in-oud-ootmarsum~a29f3f57/ Lezersmenu december: De Postelhoek in Oud Ootmarsum]

Etymologie

* van snoepen