Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

snoepie

/ˈsnupi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. spreektaal (spreektaal) kleine lekkernij
    D'r zit zo'n meid in een witte jas, die zit daar de hele dag te koekeloeren naar die beesten. (…) Af en toe schrijft ze wat op. Maar een snoepie wou ze wel van me hebben.
    In de Tuinderstraat is als helaas in zoovele straten van Rotterdam een bank van leening en de juffrouw in die bank van leening houdt van een snoepie, wat menschelijk is. Een 12-jarig jongentje uit de buurt wordt uitgestuurd om 3 cent kussentjes te halen.
  2. spreektaal (spreektaal) seksueel aantrekkelijk meisje of jonge vrouw
    Goedlachs, kuiltjes in de wangen, best 'een snoepie, maar als sportvrouw annex levensgezellin kent ze zo haar beperkingen. "Ik zou tegen alle topsporters willen zeggen: concentreer je op je sport, en trouw niet zolang je met je sport bezig bent."
    „Het spijt me dat ik u niet naar genoegen kon bedienen," zei ze kil. „Ik heb m'n best gedaan. Goedenmiddag, mijnheer." „Doe nou niet zo stug, snoepie!" sprak de jongeling.
    't Was goed da' 'k er zoo patserig uitzag, want belam, 'n mensch is geen strijkplank, en als me snor op was gestreke, en as 'k fijn opgetuigd was, dan had ik verdraaid dat snoepie om d'r middel gegrepe... want Mientje en me dochters zijn toch zoo wijd weg.
  3. figuurlijk (figuurlijk) voor een begeerlijk voorwerp
    „Je moet een camper kopen", roept hij tussen het opblazen door, als pa uitbundig zijn snoepie van een caravan prijst.
    Doe uw hoed en mantel gauw af, zegt ze, als mevrouw Pietjans er is; en dan, als ze den hoed van mevrouw Pietjans aan den kapstok wil hangen: Wat is dat toch een snoepie. Ze aait over de bol van 't bonthoedje.
  4. informeel, figuurlijk (informeel) (figuurlijk) liefkozende benaming
  5. voor een kind
    (…) die jongen heb ik vroeger over de vloer gehad. Een snoepie, hoor. Daar steekt geen kwaad bij.
    We waren thuis met drie meisjes. Elk jaar had de ooievaar een bezoek gebracht en telkens had vader, wel blij dat het er was, maar toch met teleurstelling in de stem gevraagd: „Een meisje, baker?" „Oh mijnheer, 't is zoo'n snoepie, een klein rond dik molletje, kijk eens wat een dot."
  6. voor een vrouw
    De Vlaming Jelle Denturck komt in zijn voorstelling Omtrent verlies op met een feesthoedje, maar al snel blijkt dat er helemaal geen reden voor een feestje is: zijn "snoepie" heeft hem verlaten.
    Over haar artistieke carrière: (…) En er was geen stuk meer of ik zat er bij. Ik werd het „snoepie" van Willy van Hemert. En het lievelingetje van Ton van Duinhoven.
  7. voor een man
    Kitty had hij het gegund. Zij had een tatoeage van een dolfijn op haar schouder, noemde haar hond snoepie en hem ook, maar zij was weggegaan.
    Lieve woordjes. (…) Tegen jongens/mannen: (…)"Gij bent ok 'ne zoute" — snoepie
  8. voor een huisdier
    Kitty had hij het gegund. Zij had een tatoeage van een dolfijn op haar schouder, noemde haar hond snoepie en hem ook, maar zij was weggegaan.
    Bello. Bello, kom dan snoepie. Komt dan bij vrouwtje
    Nou, kijk maar zoo sjeu niet snoepie, ga maar me[e] lievertje, ik heb thuis nog een bakkie melk voor je, hoor beessie (…)

Etymologie

*[2] mogelijk onder invloed van een oude betekenis van "snoepen" "stiekem seks hebben"

Uitdrukkingen

  • snoepie van de week