snotneus
mannelijk (de)/ˈsnɔtnøs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (persoon) (scheldwoord) jonge onverlaat, iemand die nog niet meeteltIk laat mij door die snotneus de les niet lezen.
- (medisch) overmatige productie van vocht door de slijmvliezen in de neusholte
- (huishouden) (historisch) olielamp met een lange tuit
Etymologie
**[3] omdat de tuit aan een neus doet denken, met de lampolie als snot
Vertalingen
Engelsoaf, snot-nosed, snotnose
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek