sodomsappel
mannelijk (de)/plaatshouder taxonomie/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) een 0,5–3 m hoge, stekelige, halfverhoute struik. De plant heeft dikke twijgen met talrijke, lichtgele, tot 1,5 cm lange stekels en spaarzame sterharen. De bladeren zijn afwisselend geplaatst, eirond, 5-18 cm lang met talrijke stekels. Het blad heeft tot de middennerf afgeronde, gegolfde lobben, die ook weer gelobd zijn en aan de bovenzijde spaarzaam en aan de onderzijde dicht bezet zijn met sterharen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek