sparrentak

mannelijk (de)/ˈspɑrə(n)ˌtɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. houtig uitgroeisel met groene naalden van een naaldboom uit het geslacht ; vaak gebruikt als versiering of bedekking
    Ze leerde vissen, jagen en verzamelen van haar moeder en grootmoeder, beiden Inuit, en haar witte vader. „Ik lag in onze familietent aan de rivier, op een bed van sparrentakken en kariboehuiden, en luisterde naar het vroege ochtendgeluid van vogels en het gekraak van sneeuw onder de poten van onze sleehonden.”
    En had hij geen persoonlijke toestemming om voor Kerstmis in het bos een stevige sparrentak te kappen die als kerstboom dienst kon doen?
    De brandweer van Deventer heeft de plaatselijke horeca, scholen, kerken en andere openbare ruimten verboden kerstbomen en -takken te plaatsen. Ze nam het besluit op basis van TNO-onderzoekers, die concludeerden dat de brandveiligheid van sparrentakken onvoldoende is, óók al zijn ze geïmpregneerd.