sparen
/ˈsparə(n)/
Wat is de betekenis van sparen?
sparen betekent: (ov) geld niet uitgeven
Betekenis
werkwoord
- (ov) geld niet uitgeven
- (ov) iets verzamelen
- ontzien, niet straffen of geweld aandoen
Voorbeelden van "sparen" in een zin
- Ik ben aan het sparen voor een nieuwe motor.
- Hij had jaren gespaard om de PCT te kunnen lopen en – ook al miste hij zijn dochter – niks kon hem tegenhouden om Canada te bereiken.
- Na een jaar lang plannen, lezen, onderzoeken, sparen en trainen ging mijn avontuur eindelijk beginnen, hoewel ik eigenlijk geen idee had waar ik aan begon.
- Spaar jij postzegels?
- Bij die ramp bleef weinig gespaard.
Etymologie
* In de betekenis van ‘bewaren’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- De kool en de geit sparen — Een oplossing vinden waar beide partijen tevreden mee kunnen zijn
- Je kan niet de kool en de geit sparen — je moet keuzes maken
- Lang vasten is geen brood sparen
- het eten uit de mond sparen — jezelf iets belangrijks ontzeggen om het aan iets of iemand anders te kunnen geven
Vertalingen
Engelssave, put aside, collect
Franscapitaliser, économiser, épargner
Duitssparen
Spaansahorrar, economizar, escatimar
Italiaansrisparmiare
Russischэкономить
Poolsoszczędzać, zbierać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek