spast

mannelijk (de)/spɑst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) iemand die last heeft van een zenuwaandoening waardoor bepaalde spieren onwillekeurig sterker worden gespannen en en onregelmatige bewegingen ontstaan
    We sloten bij de speciale ingang aan achter een spast, een jongen op krukken, een bejaarde vrouw met een dekentje over de knieën, een stuk of acht rolstoelkinderen allemaal in oranje plastic gewurmd en een plukje begeleiders. Een Eftelingmedewerker monsterde de rij en bekeek de medische verklaringen.
  2. scheldwoord (scheldwoord) iemand die krampachtig doet en overdreven zenuwachtig is
    Een man van stavastIs vaak van binnen een spast

Etymologie

*[2] wellicht samenhangend met de misvatting dat spasmen ook betekenen dat iemand een geestelijke stoornis heeft