spatel
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈspatəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (huishouden), (gereedschap) spaan, lepel e.d. met plat, bot uiteinde om mee te smeren, schrapen, roeren enz.
- (medisch) platte reep van hout of metaal om bepaalde vormen van lichamelijk onderzoek te verrichten
Etymologie
* Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘platte lepel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351
Vertalingen
Engelsspatula
Spaansespátula
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek