speeksel
onzijdig (het)/ˈspeksəl/
Wat is de betekenis van speeksel?
speeksel betekent: (fysiologie) vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (fysiologie) vocht dat in de mond vloeit uit de speekselklieren
Voorbeelden van "speeksel" in een zin
- Speeksel wordt gemaakt in de speekselklieren.
- De jongens stonden tot het uiterste gespannen in rijen achter elkaar en slikten met moeite hun speeksel weg. {{Aut|Lemaitre, Pierre
Etymologie
*van Middelnederlands "speecsel", op te vatten als afgeleid van speek , in de betekenis van ‘mondvocht’ aangetroffen vanaf 1351
Vertalingen
Engelssaliva
Franssalive
DuitsSpeichel
Spaanssaliva
Italiaanssaliva
Japans唾液
Poolsślina
Zweedssaliv
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek