spelboek

onzijdig (het)/ˈspɛlbuk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderwijs, historisch (onderwijs) (historisch) bundel met oefeningen voor jonge kinderen om de schrijfwijze van woorden te leren
    Ernest Staes ontving zijn eerste opleiding in de Oordjesschool van de lange juffrouw Monnier en leerde er spellen in ‘Kruisken A.’ Het was sedert eeuwen, mogen wij zeggen, het klassieke en alom gebruikte spelboek in Zuid-Nederland.
zelfstandig naamwoord
  1. figuurlijk (figuurlijk) opzet om een gewenst resultaat te bereiken via patronen van acties die bij anderen voorspelbare reacties oproepen
    En het past in het spelboek van radicaal-rechts om de onmogelijkheid van dit soort maatregelen aan te wenden om instituties als de rechtelijke macht en de EU aan te vallen.

Etymologie

*[B] als leenvertaling van "playbook" "toneeltekst" (in figuurlijke zin)