spinnen

/ˈspɪnə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, techniek, textiel (ov), (techniek), (textiel) een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
  2. ineendraaien
  3. inerg (inerg) (van katten) een snorrend geluid maken, snorren
    De kat lag te spinnen.
  4. (van oplossingen of vloeistoffen) draderig worden
werkwoord
  1. sport (sport) (van voertuigen, ballen enz.) een om zijn as draaiende, rondtollende beweging maken
    De raceauto spinde.
  2. natuurkunde (natuurkunde) ronddraaien van quantumdeeltjes
    Een spinnend elektron.
zelfstandig naamwoord
  1. spinachtigen (spinachtigen) 'echte spinnen' vormen een orde van geleedpotigen die behoren tot de klasse van de spinachtigen (Arachnida). Andere spinachtigen worden ook wel met de term 'spin' aangeduid, zoals de zeespinnen en de zweepspinnen.
    Ik aarzelde even, vanwege alle muggen, spinnen en slangen maar was snel om.

Etymologie

*[B] Van het Engelse to spin

Uitdrukkingen

  • Ergens garen bij spinnenVan iets profiteren

Vertalingen

Engelsspin, purr
Fransfiler, ronronner
Duitsspinnen, schnurren
Spaanshilar, ronronear
Russischпрясть