spinnen
/ˈspɪnə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov), (techniek), (textiel) een lange draad vervaardigen door enkele vezels in elkaar te vervlechten
- ineendraaien
- (inerg) (van katten) een snorrend geluid maken, snorrenDe kat lag te spinnen.
- (van oplossingen of vloeistoffen) draderig worden
werkwoord
- (sport) (van voertuigen, ballen enz.) een om zijn as draaiende, rondtollende beweging makenDe raceauto spinde.
- (natuurkunde) ronddraaien van quantumdeeltjesEen spinnend elektron.
zelfstandig naamwoord
- (spinachtigen) 'echte spinnen' vormen een orde van geleedpotigen die behoren tot de klasse van de spinachtigen (Arachnida). Andere spinachtigen worden ook wel met de term 'spin' aangeduid, zoals de zeespinnen en de zweepspinnen.Ik aarzelde even, vanwege alle muggen, spinnen en slangen maar was snel om.
Etymologie
*[B] Van het Engelse to spin
Uitdrukkingen
- Ergens garen bij spinnen — Van iets profiteren
Vertalingen
Engelsspin, purr
Fransfiler, ronronner
Duitsspinnen, schnurren
Spaanshilar, ronronear
Russischпрясть
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek