spit
onzijdig (het)/spɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- draaiende staak waarop men vlees of een geslacht dier spietst en boven of naast een hittebron roostertZe had een lekker kippetje aan het spit gebraden.
- (medisch) hevige lage rugpijn, lendenpijn
Etymologie
* In de betekenis van ‘braadspit’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelsspit, lumbago, low back pain
Spaansasador, asador de cocina, espetón
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek