spons
mannelijk/vrouwelijk (de)/spɔns/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) dier behorend tot de stam (sponsdieren), sedentaire, primitieve meercellige dieren die zich vastzetten op de bodem van (meestal) zeeën en oceanen tot op 8,5 kilometer diepte
- zacht en buigzaam opgedoken skelet van [1] dat als hulpmiddel bij het schoonmaken gebruikt wordt omdat het een grote hoeveelheid water in zijn poriën kan opnemenAls ze de stammen te veel verwarmden, zodat er kokend sap en hars naar buiten begon te dringen, werden de houtvezels te zacht en konden ze de bouten niet meer vastzetten, het was alsof je schroeven in een spons drukte.
- (huishouden) van kunststof vervaardigd hulpmiddel bij het schoonmaken dat de eigenschappen van [2] nabootst
- iets of iemand die veel in zich kan opzuigenDeze verhalen nam ik als een spons in me op en ik hoopte mijn leven thuis ook enigszins anders in te gaan richten.
Etymologie
*via Middelnederlands "sponge" van "esponge", in de betekenis van ‘zwam’ aangetroffen vanaf 1285
Vertalingen
Engelssponge
Franséponge
Spaansesponja
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek