spraakvermogen

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het kunnen spreken; het door het produceren van spraakgeluiden talig kunnen communiceren
    Zijn woede gaf hem de beschikking over zijn spraakvermogen terug.
    Hij werd een paar dagen geleden voor behandeling naar Duitsland gebracht, nadat hij thuis onwel was geworden en zijn zicht en spraakvermogen had verloren. Ook kon hij plotseling niet meer lopen. Dat was kort nadat hij bij een hoorzitting was geweest.